Volg ons op:

Onze school

Athena-OnderwijsWordpress Blog Smaller

Inleiding

In 2010 werd door het bestuur van Stichting Scala het besluit genomen om met ingang van augustus 2010 een voorziening in te richten voor kinderen die aantoonbaar hoogbegaafd zijn en in het ‘reguliere’ basisonderwijs tegen hindernissen aanlopen.

In augustus 2014 startte Athena een vierde groep en bezoeken ongeveer 90 leerlingen onze school. Onze locatie bevindt zich aan de Johann de Wittstraat 11, 5151CK te Drunen. In augustus 2015 zijn we hier een vijfde groep gestart, waarmee voorlopig de maximale omvang (115 lln) is bereikt.

 

Athena-Onderwijs aan hoogbegaafde kinderen is een onderwijsvoorziening voor kinderen die vanwege een cognitief talent meer uitdaging nodig hebben en geen passend onderwijs aanbod  krijgen binnen het reguliere onderwijs. Het doel is zodanig onderwijs te bieden zodat deze kinderen hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen in een veilige omgeving met ontwikkelingsgelijken. We stimuleren een reflectieve, kritische en onderzoekende houding en proberen onze leerlingen vaardigheden en tools aan te reiken waarmee zij straks de ‘grote’ wereld in kunnen. Een wereld, die zich niet aan deze leerlingen blijft aanpassen.

 

Wat is een IQ?

Het IQ (intelligentiequotiënt) is een cijfer om cognitieve intelligentie aan te duiden. Het IQ wordt verkregen door de verstandsleeftijd te delen door de werkelijke leeftijd. Het IQ is geen waarde die je kunt vergelijken met lengte, gewicht, leeftijd of andere objectief meetbare eigenschappen van een kind. De verstandsleeftijd wordt bepaald op basis van de antwoorden op een aantal onderdelen van een test. De waarden zijn genormeerd, wat wil zeggen dat de waarden (en de frequenties waarin ze voorkomen) zodanig ingeschaald zijn dat ze steeds op een bepaalde manier verdeeld zijn over de bevolking, namelijk volgens een klokvorm. De waarden helemaal links en rechts in deze klokvorm komen zeer uitzonderlijk voor. De waarden in het midden (tussen de IQ waarden 80 en 120) komen het meeste voor.

 

Dit wordt zo voorgesteld:

Grafiek

Definitie van hoogbegaafdheid

In de literatuur zijn diverse modellen en beschrijvingen te vinden over het begrip hoogbegaafdheid. Het mag duidelijk zijn dat hoogbegaafdheid over intelligentie gaat. Maar op basis van de literatuur en onderzoek is inmiddels bekend dat er meer duiding nodig is om te spreken over hoogbegaafdheid. Oftewel: hoogbegaafdheid is meer dan alleen een hoog IQ.

 

We gaan niet alle bestaande modellen en beschrijvingen weergeven. Voor dit moment volstaat het om onze gekozen theoretische duiding aan te geven. Deze duiding leidt tot een logische stap naar het benoemen van de doelgroep van het beleid en daarmee de selectie van deze doelgroep.

 

Wij sluiten aan bij drie modellen en beschrijvingen uit de literatuur. Het zogenoemde model ‘Renzulli-Mönks’, het model van ‘Tessa Kieboom’ en het ‘Delphi-model’.

 

Model Renzulli-Mönks (model 1)

De Amerikaanse psycholoog prof.dr. Joseph Renzulli definieerde hoogbegaafdheid als de interactie tussen drie aanlegfactoren: een hoge intelligentie, een hoge taakgerichtheid (motivatie en focus tot een taak) en een hoog niveau van creativiteit. Onder creativiteit moeten we verstaan: het kunnen bedenken van originele oplossingen, vindingrijkheid, probleemoplossend vermogen. Renzulli is later de term intelligentie gaan vervangen door ‘bijzondere capaciteiten’ (bijvoorbeeld de aanleg voor sport). Bovendien sprak Renzulli niet over hoogbegaafd maar over hooggetalenteerd.

 

De Duits-Nederlandse ontwikkelingspsycholoog prof. dr. Franz Josef Mönks ging voort op het model van Renzulli, maar plaatste de drie aanlegfactoren in een bredere context. Hij plaatste de factoren in de omgeving. De leerling heeft een passende omgeving nodig om de aanleg tot ontwikkeling te laten komen. Zonder de juiste omgeving zegt Mönks, kunnen er wel in aanleg capaciteiten zijn op hoogbegaafd niveau, maar komen ze niet tot ontwikkeling en resulteren ze niet in prestaties.

 

Kortom:

  1. de drie aanlegfactoren moeten aanwezig zijn: hoge intelligentie, taakgerichtheid en creativiteit.
  2. de drie aanlegfactoren moeten elkaar overlappen (zie cirkels van het model) om hoogbegaafde prestaties te kunnen bereiken.
  3. om de drie aanlegfactoren te laten overlappen is een stimulerende gunstige omgeving nodig vanuit school, gezin en peers (ontwikkelingsgelijken).

 

 Model 1 Triadisch Interdepentiemodel Renzulli Moenks

 

Model 1: triadisch interdepentiemodel Renzulli / Mönks

 

Voor de regionale fulltime HB onderwijsvoorziening sluiten we aan bij deze omschrijving van hoogbegaafde leerlingen. We vinden echter dat één essentie mist in dit model voor de duiding van hoogbegaafdheid.

 

Uit literatuur en onderzoek blijkt namelijk dat hoogbegaafde kinderen naast hun cognitie ook een hoge mate van gevoeligheden kennen. Hier worden termen aangegeven als: hoogsensitief, hooggevoelig en overexcitabilities. De term overexcitabilities komt van de Poolse psychiater/psycholoog Dabrowski. Hij onderbouwde zijn theorie gericht op ‘talented and gifted people’ van alle leeftijden op 5 gevoelsaspecten, waarvan 3 overexcitabilities in bovengemiddelde mate aanwezig zijn bij hoogbegaafde personen namelijk de emotionele gevoeligheid, de intellectuele gevoeligheid (leerhonger) en de verbeeldingskracht (fantasie, creativiteit). De andere twee gevoeligheden zijn: zintuigelijke gevoeligheid en psychomotorische gevoeligheid.

 

Om het gevoelsleven toe te voegen aan de theoretische duiding van hoogbegaafdheid sluiten wij ons tevens aan bij het model van Tessa Kieboom.

 

Model Tessa Kieboom (model 2)

Dr. Tessa Kieboom beschrijft hoogbegaafdheid met behulp van twee luiken. Zij noemt dit het cognitieve luik (het denken) en het zijnsluik (het voelen). In het cognitieve deel noemt zij dezelfde eigenschappen als bij Renzulli en Mönks. Deze eigenschappen leiden tot leerhonger.

Zij voegt er echter het zijnsluik toe om basis van duizenden hoogbegaafden die zij in haar werkzame bestaan is tegengekomen en andere onderzoeken. In het zijnsluik voegt zij de volgende eigenschappen toe: perfectionisme, een groot rechtvaardigheidsgevoel, een kritische instelling en hoge mate van gevoeligheid. Deze eigenschappen leiden tot een gevoel van ‘anders zijn’. Dinke Sinke heeft het onderdeel ‘zijnsluik’ van Tessa Kieboom in een overzicht geplaatst.

 

 Model 2 Tessa Kieboom

 

Model 2 A Tessa Kieboom

Model 2: Tessa Kieboom                                

 

Model Maud Kooijman-van Thiel, Delphi-model (model 3)

Tot slot willen we het Delphi-model naar voren brengen om de theoretische duiding aan hoogbegaafdheid te geven. Dit model is mede ontwikkeld door hoogbegaafde personen zelf. Het model geeft in onze visie goed weer wat de kenmerken zijn van ‘hoogbegaafdheid’ in interactie met de omgeving.

 

In dit model zien we:

  1. het denken: de hoge intelligentie
  2. het willen: gedreven en nieuwsgierig; vergelijkbaar met taakgerichtheid / motivatie
  3. het doen: scheppingsgericht; vergelijkbaar met creativiteit
  4. het waarnemen: hoogsensitief; vergelijkbaar met een deel van het zijnsluik of een deel van de overexcitabilities
  5. het voelen: rijk geschakeerd; vergelijkbaar met andere delen overexcitabilities
  6. het zijn: autonoom. Dit deel wordt niet in andere modellen genoemd.

 

Het model voegt ook de interactie met de omgeving toe. De hoogbegaafde persoon zal op creatieve, snelle, intense en complexe wijze in interactie zijn met de maatschappij.

 

Samenvattend leidt dit tot een allesomvattende definitie, waarin Athena de duiding van hoogbegaafdheid sluitend vindt:

“Een hoogbegaafde is een nieuwsgierig, sensitief en emotioneel mens. Hij of zij is een snelle en slimme denker, die complexe zaken aankan. Verder is hij of zij autonoom, gedreven van aard en intens levend. Hij of zij schept plezier in creëren.”

 

 Model 3 Delphi

Model 3: Delphi-model, ir. Maud Kooijman-van Thiel, Hoogbegaafd. Dat zie je zó!

 

Conclusie

Voor de theoretische duiding van het begrip hoogbegaafdheid sluiten wij ons aan bij de volgende bevindingen uit de literatuur en onderzoek:

  1. de drie aanlegfactoren moeten aanwezig zijn: hoge intelligentie, taakgerichtheid en creativiteit.
  2. de drie aanlegfactoren moeten elkaar overlappen (zie cirkels van het model) om hoogbegaafde prestaties te kunnen bereiken.
  3. om de drie aanlegfactoren te laten overlappen is een stimulerende gunstige omgeving nodig vanuit school, gezin en peers (ontwikkelingsgelijken).
  4. naast de cognitieve elementen is er ook sprake van een aantal andere eigenschappen die leiden tot een ‘anders zijn’ namelijk: een hoge mate van gevoeligheid, perfectionisme, groot rechtvaardigheidsgevoel, een kritische instelling, gedrevenheid, nieuwsgierigheid en autonomie.

Visie van Athena

‘Het realiseren en faciliteren van onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, zodat zij hun talenten in een uitdagende leeromgeving optimaal kunnen benutten en zich in eigen tempo en op eigen niveau kunnen ontwikkelen’. We stimuleren onze leerlingen bij het ontwikkelen van een kritische, reflectieve en onderzoekende houding. Dit houdt in dat we de intrinsieke motivatie van onze leerlingen stimuleren en hen eigenaar laten zijn van hun eigen leerproces. De leerlingen worden voortdurend uitgedaagd om hun talenten in te zetten. Hieraan liggen drie kerndoelen ten grondslag:

  • Leren Leren
  • Leren Denken
  • Leren (voor het) leven

1. Leren Leren

Hierbij gaat het om het ontwikkelen van inzichten en vaardigheden die belangrijk zijn voor het verwerven en toepassen van kennis. In dat proces zijn taakgerichtheid, doorzettingsvermogen, het nemen van initiatieven en motivatie van groot belang. In feite draait het om een drang tot blijvend verder willen leren en ook plezier beleven aan het leren van nieuwe dingen. Daarbij is het uiteraard belangrijk dat je leerdoelen voor jezelf kunt formuleren en in staat bent een goede werkverdeling te maken in de tijd. Het accent ligt hierbij op het ontwikkelen van metacognitieve vaardigheden. De leerlingen moeten leren plannen, structureren, evalueren en kritisch naar hun eigen leerproces kijken. Dit kunnen werken volgens een plan krijgt vorm middels de taakbrief. Wekelijks evalueren de leerlingen op hun werkhouding en leerstofaanbod en formuleren zij hun aandachtspunt voor de daarop volgende week. Deze evaluatie wordt elke week in een één-op-één situatie met de leerkracht besproken. Voorts leren leerlingen dat zij verschillende leerstrategieën in kunnen zetten om informatie te verwerven en op te slaan, zodat later getoond kan worden wat geleerd is. Reflectie op het eigen leergedrag, het product en leerproces is hiervan een wezenlijk onderdeel.

2. Leren denken

Hier gaat het om het ontwikkelen van en reflecteren op hogere denkvaardigheden door leerlingen. Er zijn verschillende denkvaardigheden te onderscheiden, zoals:

  • het analytisch denken, waarbij het draait om het bepalen van de verhoudingen van verschillende delen ten opzichte van elkaar of ten opzichte van het grotere geheel.
  • het creatief denken, waarbij het flexibel kunnen inspelen op omstandigheden om vindingrijkheid bij het ontdekken van nieuwe problemen en het oplossen ervan vraagt.
  • het kritisch denken, waarbij het gaat om het controleren van veronderstellingen en informatie en het gefundeerd kunnen vormen van een mening.

3. Leren (voor het) leven

Bij dit kerndoel gaat het om het ontwikkelen van kennis, houding en vaardigheden op het persoonlijke gebied. Inzicht in jezelf vormt de basis voor het leren leven. Een positief zelfconcept, weten wat je sterke en minder sterke kanten zijn en daar op een goede manier mee om kunnen gaan. Dit, door bijvoorbeeld gepaste doelen te stellen, opbouwende kritiek en de consequenties van je keuzes te accepteren. Het zijn voorwaarden om jezelf in de tijd te kunnen blijven ontwikkelen. Een goed inzicht in jezelf zorgt voor een betere afstemming van communicatie en relaties met anderen.

Leereigenschappen van hoogbegaafde kinderen.

Hoogbegaafde leerlingen vertonen vaak een grote honger naar kennis en nieuwe inhoud. Zonder veel inspanning pikken ze leerinhouden op. Vaak ontwikkelen ze echter weinig of geen leer- of studievaardigheden en vervelen ze zich snel. Hun intelligentie gebruiken ze soms om problemen te ontwijken. Ook hoogbegaafden kunnen faalangst en problematisch gedrag ontwikkelen.

Hoogbegaafde kinderen kunnen een aantal sterke eigenschappen hebben. Ze zijn vaak leergierig en gaan graag diep op zaken door. De kennis van de eigen interessegebieden is vaak groot en ze kunnen scherp waarnemen en observeren. Deze kinderen zijn vaak  prestatiegericht. De kans bestaat dat zij door onzorgvuldigheid, maar ook doordat zij ervan uitgaan dat zij de opdracht al snappen, onjuiste oplossingsstrategieën gaan toepassen. Het is van groot belang dat de leerkracht de leerling volgt in het toepassen van  strategieën. Het kritisch kijken naar zichzelf moet worden gestimuleerd.

De leerlingen beschikken over een sterk redeneervermogen, leggen snel verbanden en kunnen creatieve oplossingen bedenken. Bij voldoende uitdaging zal er een grote vooruitgang in het leren te zien zijn en zijn ze in staat veel leerstof in een snel tempo te verwerken. Hoogbegaafde leerlingen werken graag zelfstandig en kunnen zich goed focussen wanneer ze zich ergens voor interesseren. Op Athena wordt middels een schema, dagelijks samengewerkt.

Hoogbegaafde leerlingen hebben leereigenschappen die bij gemiddeld intelligente leerlingen minder vaak voorkomen, zoals:

- Weinig behoefte aan uitgebreide instructie

- Weinig behoefte aan herhalings- en oefenstof

- Een hoog werktempo

Het is belangrijk om leerlingen in hun eigen tempo de leerstof te laten verwerken. De leerlingen wachten niet op elkaar maar gaan, nadat zij klaar zijn met de basisstof (taakwerk), werken aan diverse verdiepings- en verrijkingsopdrachten. Om verschillende denkvaardigheden te stimuleren is het van belang dat deze opdrachten:

- Uitdagend zijn en een beroep doen op creatieve denkvaardigheden

- Open opdrachten zijn

- Een hoog abstractieniveau hebben en een hoge mate van complexiteit

- Verrijkend zijn ten opzichte van reguliere leerstof

- Stimulerend zijn voor een onderzoekende houding

- Een kritische houding ontlokken

- Een beroep doen op zelfstandigheid

- Uitlokken tot interactie

- Uitnodigen tot reflectie

Leerstofaanbod

Op Athena wordt de leerstof compact en versneld aangeboden waardoor ruimte ontstaat om naast de kerndoelen (rekenen, taal, spelling begrijpend lezen, wereldoriëntatie) meer ‘surplus’ aan te bieden. Voorbeelden van het ‘surplus’–aanbod zijn:

  • meerdere vreemde talen (vanaf groep 4 wordt  Engels als basisleerstof aangeboden)
  • Athena-Kit (complexe taal/reken opdrachten)
  • Pittige Plustorens
  • techniek
  • schaken
  • eigen onderzoeken
  • gastlessen
  • excursies
  • groep 8 volgt modules die door het VWO op Athena worden verzorgd:

-          filosofie

-          klassieke talen

-          toegepaste geschiedenis

-          maatschappij wetenschappen

-          practicum biologie, scheikunde, natuurkunde

-          Frans

Toelatingscriteria

Toelatingscriteria:

  1. Het kind moet aantoonbaar hoogbegaafd zijn. In de praktijk houdt dit in dat een intelligentieonderzoek overlegd zal moeten worden of een ander onderzoek waaruit onweerlegbaar duidelijk wordt dat het kind hoogbegaafd is. Wij hanteren een IQ van rond 130. Het psychologisch onderzoek mag niet ouder dan twee jaar zijn.
  2. Een positief advies van de basisschool.
  3. De gegevens vanuit het leerlingvolgsysteem van de school van herkomst, waarin tenminste zijn opgenomen: - de behaalde citoscores - de gegevens uit het leerlingvolgsysteem ‘sociaal emotionele ontwikkeling’.
  4. De uitkomst van het intakegesprek met de coördinator van Athena.

Soms wordt besloten om de leerling in de reguliere setting te observeren. De uitkomsten van deze observatie(s) worden meegenomen in het besluit tot mogelijke plaatsing.

Bijdrage

Op dit moment wordt aan de ouders een vrijwillige ouderbijdrage gevraagd van € 400,- per kind per jaar. Van deze vrijwillige bijdrage worden licenties, ICT-materialen, gastlessen, excursies en onderwijsleermaterialen bekostigd. Het niet voldoen van de vrijwillige bijdrage heeft tot gevolg dat de leerling wel het basisprogramma van Athena volgt maar niet deelneemt aan deze ‘surplus’- activiteiten